Mijmeren over Parijs (mei 2019)

Afgelopen week verscheen in de Nieuwe Koers de onderstaande column, die drie weken na de wereldschokkende brand in de Notre Dame werd geschreven:

MON DIEU

Er zijn van die beelden die voorgoed op je netvlies staan. Voor mij was dat het instorten van de Twin Towers in New York. Onlangs kwam daar de in lichterlaaie staande Notre Dame in Parijs bij. Het gaf me in de weken erna het nodige te mijmeren waardoor het méér werd dan een op zichzelf staand dramatisch incident.

            De onmacht om de vuurzee te blussen deed me denken aan verleden tijden, toen het hart van trotse steden soms ook plots getroffen werd door een felle brand en mensen niet anders konden dan toezien hoe fiere bouwsels in de as werden gelegd. Wij bleken ook vandaag de dag, ondanks preventieve maatregelen en professionele inzet van de brandweer, ineens minder mans dan we voor mogelijk hadden gehouden. Een schokkende ervaring. Want ongemerkt zijn wij gaan geloven dat we dit soort dingen sowieso onder controle hebben. Het seculiere voetstuk van vermeende zekerheden wankelde. Sommige Parijzenaren begonnen zelfs spontaan te bidden, terwijl ze dat naar eigen zeggen al jaar en dag niet meer hadden gedaan. In zulke uren wordt breed gevoeld: het ongewisse blijft ons teisteren en dáár is geen dekking tegen.

            De verbijstering – en met name dat! – die Parijs beving bij de aanblik van die hoog oplaaiende vlammen uit de trots van de stad, kreeg in mijn beleving ook heel even iets apocalyptisch. Want het zien van de alles verzengende vlammen deed menigeen verschrikt roepen: mon Dieu…! Als vloek of wanhoopskreet. Onwillekeurig flitsten er bijbelse visioenen door me heen waar dit soort geroep ook het enige en laatste is wat mensen weten uit te brengen. Zonder dit uit te vergroten werd het gebeuren van die bewuste maandagavond daarmee een klein voorspel van het laatste inferno. Waarbij mij vooral dit ene opviel: alle  zelfverzekerde taal en stoere praat verstommen op zo’n moment.

            Ik hoorde dat anderen in het afbranden van deze eeuwenoude icoon van christelijke cultuur een symbolische bevestiging zagen van wat al veel langer gaande is: het afbrokkelen van kerk en geloof in onze contreien. Ook daar zit wat in. Des te meer ontroerde het gezang dat met het gezicht naar de vuurzee zacht begon op te klinken uit steeds meer monden. Brak daarmee in die Stille Week middenin Parijs iets door van Paas-geloof, dat dóórzingt tegen de ondergang in?

            Intussen is de eerste schrik voorbij en herstelde de stad zich van haar ontzetting. Veel sneller dan New York destijds. Logisch. Per slot van rekening waren hier geen duizenden mensenlevens mee gemoeid, maar enkel hout en stenen. Bovendien zegde het Elysée de volgende dag al herbouw toe en stroomden in één week tijd de miljoenen binnen tot het astronomische bedrag van ruim 1 miljard. Mooi voor de Notre Dame. Tegelijk voelde het zó verkeerd, als je denkt aan alle ‘gele hesjes’ in Frankrijk die structureel tekort komen en aan al die honderdduizenden elders in de wereld die in diezelfde weken hun hele hebben en houden verloren door allesverwoestende rampen. Alle goede bedoelingen ten spijt, is deze selectieve en nooit eerder vertoonde vrijgevigheid geen afspiegeling van het grootste drama aller tijden? Dat van Goede Vrijdag? Van verraad aan alles waar Jezus voor gaat en staat, terwijl wij intussen menen met dit kosten noch moeite sparende project God en mensen een dienst te bewijzen? Parijs krabbelt weer met vereende krachten op. Het wil maar moeilijk echt Pasen en Pinksteren worden.

Paul Visser