Korte impressie 'God op de gracht' (2)

Korte journalistieke impressie van tweede gesprek van ‘God op de gracht’

In de tweede editie van ‘God op de Gracht’, op 14 maart 2019, waren twee ‘zestigers’ te gast: Ton van Brussel, oud-directeur van De Rode Hoed, en columnist en schrijver Stephan Sanders – die eigenlijk pas 57 is. Beiden zijn van huis uit katholiek, maar lieten op jonge leeftijd het geloof achter zich. Decennia later hervinden ze, tot hun eigen verbazing, hun geloof in God.

Van Brussel keerde het geloof de rug toe op zijn elfde, kort nadat hij erachter was gekomen dat Sinterklaas niet bestond. “Ik kreeg meteen ook twijfels over God. Ik dacht: dus een heleboel dingen die grote mensen zeggen zijn niet waar? Ik was ontgoocheld. Opeens was ik alleen. Toen ik ouder werd, verbond ik het gevoel van ‘alleen zijn’ niet meer met het verlies van mijn geloof. Ik dacht dat het een existentieel gevoel was.” Ook Sanders weet nog goed hoe zijn geloof verwaterde. “Ik was een jaar of dertien, veertien toen mijn beeld van God langzaam vervaagde. Ik kwam alleen nog maar in de kerk als ik fluit moest spelen. Toen ik het dorp waarin ik opgegroeid was achter me liet om te gaan studeren, bleef God daar. Die woonde in een boerderij, niet in Amsterdam. En op de universiteit geloofde je al helemaal niet.”

Wat was het keerpunt? Van Brussel “Vier jaar geleden had ik bij De Rode Hoed iets stoms gedaan op zakelijk gebied en ik moest mijn excuses aan iemand aanbieden. Ik belde die man op, begon me te verontschuldigen en hij antwoordde: “Ik kan je wel vergeven.” Ik kreeg het opeens heel warm van die woorden. Op dat moment was er zo’n overweldigende ervaring van Gods presentie dat ik naar buiten móést.” De deur van de Noorderkerk stond open en Van Brussel liep naar binnen. “Ik ging op een bank zitten en wist gelijk: God is er weer. Het was een heel rare sensatie.”

Sanders: “Dat ging snel, ik ben jaloers! Het kostte mij jaren. Mijn moeder ging dood en ik dacht: met mijn moeder wordt nu ook het geloof begraven. Ik ben geadopteerd, mijn moeder heeft mij aangenomen. Zou ik ook haar geloof kunnen ‘aannemen’? Ik was toen vijftig en herinner me diepe schaamte. Ik zal toch niet gelovig zijn? Wat zwak! Heb ik troost nodig? Mijn gevoelens voor mijn geliefde, met wie ik nu nog steeds getrouwd ben, speelden ook een rol. Ik ervoer die gevoelens als iets goddelijks. Ik ben begonnen met proef-geloven. En nu zit ik hier…”

“Typisch God”, merkt Visser op, “Hij dient zich aan, ook als Hij niet wordt gezocht. Zelfs op de gracht.”