VAN DE BIJBEL MAG JE

Afgelopen weekend verscheen onderstaande column van mijn hand in de Nieuwe Koers. Toen ik die schreef, wist ik nog niet dat het thema inmiddels zo actueel is door de politieke botsing rond de formatie tussen D66 en de CU. 

VAN DE BIJBEL MAG JE

Het viel me op in recente publieke discussie rond ‘voltooid leven’ hoe gemakkelijk christenpolitici in het nauw worden gedreven. Te kijk worden gezet als onmenselijk, omdat zij anderen op grond van hun geloof het recht niet gunnen op een ‘waardig einde’ en hen daarmee dwingen tot vormen van zelfdoding die mensonterend zijn. Het gesprek gaat vaak als volgt.

Eerst krijgt de genodigde gelegenheid om uit te leggen waarom hij of zij ‘tegen’ is. Met veel verve zet die dan het (terechte!) humane argument in dat de wens om ‘waardig te sterven’ heel vaak voortkomt uit eenzaamheid en een chronisch gebrek aan meeleven van de omgeving. Voert vervolgens een pleidooi daar méér op in te zetten, wat zonder probleem tafel-breed wordt beaamd. Tot zover gaat alles goed. Dan blijkt er echter ook iemand aan tafel te zitten, voor wie dat niet opgaat. “Er was en is aandacht genoeg”, zo betoogt betrokkene nuchter of emotioneel, “maar ik wil de vrijheid om zelf te beslissen wanneer het voor mij ‘klaar’ is. Moet ik dan voor een trein of van een flat springen van u?” De voor het blok gezette politicus of politica doet nog een goedbedoelde poging tot heroverweging, door de ander voor te houden dat je ook nogal wat vraagt van een arts, maar de tegenpartij blijkt onvermurwbaar. Tja en dan komt onontkoombaar de Bijbel ter tafel: daar mag het niet van en zijn christenen dáárom niet per definitie tégen? Als vanzelf wordt de boodschap van de Bijbel daarmee weggezet als inhumaan en de desbetreffende politicus wordt als ‘verdachte’ in de beklaagdenbank gemanoeuvreerd: met zijn of haar geloof misgunt hij anderen de vrijheid om waardig te sterven. Nota bene! Onbegrip en verontwaardiging over zoveel ‘christelijke  onbarmhartigheid’ zijn van de gezichten af te lezen.

Hoe langer hoe meer overvalt me een ongemakkelijk gevoel als ik dit soort discussies volg. Vooral de slotconclusie zit me dwars: dat het gebod van God inhumaan zou zijn en christelijk geloof leidt tot onmenselijk gedrag jegens anderen. Het gaf me stevig te denken. Met alle respect voor al die politici die het gesprek over dit soort heikele ethische punten aangaan, vraag ik me toch af of het terecht is dat zij zichzelf zo klem laten zetten door wat zij op het moment suprème lijken te betogen: dat zij op grond van Gods gebod anderen de voet dwarszetten. Klopt dat wel? Nergens lees ik dat Israël de Thora moest opleggen aan andere volken. Die gold alleen voor hen. Nergens ook hoor ik dat gelovigen worden opgeroepen om van niet-gelovigen te eisen zich tegen wil en dank te schikken naar de gerechtigheid van Gods Koninkrijk. Daar zijn alleen zij in principe aan gehouden. Met andere woorden, zou het goede antwoord in zulke en andere ethische discussies niet zijn: van de bijbel mag u alles…! Wij weten ons gehouden aan het goed recht van God, maar als u daar geen boodschap aan hebt, mag u uw eigen gang gaan. Wij heersen niet over het geweten van anderen.

Daarbij mag je wel wijzen op de consequenties van een tegengestelde keus. Stevige denkduwtjes geven voor bijkomende effecten op langere termijn. Dat hoort bij een volwassen gesprek. In dit geval bijvoorbeeld dat een cultuur die de dood omarmt op den duur haar eigen graf graaft. Omdat het gevaar allerminst denkbeeldig is dat, als deze wens gelegaliseerd en deze trend gemeengoed wordt, dit ongemerkt zal leiden tot een toenemende sociale en morele druk op ouderen om voortijdig uit het leven te stappen. Zeker als verzekeringen (of de familie) op een dag het kostenplaatje gaan berekenen.

Zou je daarmee de gure wind bij anderen niet uit de zeilen kunnen nemen en in onze seculiere samenleving wat meer van ‘nee-zeggende verdachte’ tot ‘mee-denkende getuige’ kunnen worden? Tegelijk bepleit je per saldo niets anders dan wat Paulus ooit bad: vrijheid voor gelovigen om het goede van God te doen. Wie kan daar in een volwassen democratie, zoals Alexander Pechtold ons staatsbestel noemt, bezwaar tegen hebben?

Paul Visser