• Noorderkerk
  • Noorderkerk
  • Noorderkerk
  • Noorderkerk
  • Noorderkerk
  • Noorderkerk

Noorderkerk Amsterdam

kerk in de Jordaan

nederlands english
Kerk Historie

Geschiedenis van de Noorderkerk in Hervormd Amsterdam

Tot ver in de 19e eeuw stond de ‘gereformeerde’ (vanaf 1816 officieel ‘Hervormde’) kerk van Amsterdam bekend als ‘de grootste protestants-christelijke gemeente ter wereld’. Hoewel dit niet zo eenvoudig is te staven met cijfers, is wel duidelijk dat de meelevendheid onder de Amsterdamse bevolking groot was. Uit alles blijkt dat de Alteratie van 1578 – de overgang van Amsterdam van het katholicisme naar het protestantisme – brede steun vond onder de Amsterdamse bevolking. Een aanzienlijk deel was orthodox recht in de leer. Op zondagmorgen zag het ‘zwart’ van de kerkgangers. Aan verschillende kerken waren twee, soms zelfs drie predikanten verbonden. Ook de Noorderkerk trok tijdens de morgendiensten meer dan 1000 kerkgangers. In een snelgroeiend stadsdeel van eenvoudige kleine middenstanders, ambachtslieden en handelaren had de kerk nog een belangrijke plaats.

 Maar in de loop van de 19e eeuw traden grote veranderingen op in kerk en maatschappij. De gevolgen van de Industriële Revolutie werden merkbaar in de samenleving. De sociale tegenstellingen namen sterk toe en daarmee de armoede onder de arbeidersbevolking. In protest tegen die ontwikkelingen ontstonden de vakbewegingen die vochten voor hogere beloning en betere arbeids- en woonomstandigheden. Niet voor niets staat het standbeeld van F. Domela Nieuwenhuis dicht bij de Haarlemmerpoort op de grens van de Jordaan en enkele 19e en begin 20e-eeuwse wijken o.a. de Spaarndammerbuurt. Deze activist was tot 1879 luthers predikant maar eindigde bij zijn dood in 1919 als anarchist. De gevolgen voor de buurten rond de Noorderkerk waren ingrijpend. De sociale samenstelling veranderde in een ‘rooie’ arbeidersbuurt. Velen verlieten de kerk die men als regentesk ervoer die te weinig deed aan de armoede in de samenleving en de erbarmelijke woonomstandigheden die daar het gevolg van waren. Niet voor niets ademt de op basis van de Woningwet van 1901 gebouwde Spaarndammerbuurt op de gevelstenen de geest van de socialistische ‘dageraad’… Dit alles is in de cijfers terug te vinden. In 1899 is nog 42,2 % van de Amsterdamse bevolking hervormd ingeschreven, in 1930 is dat nog 21,5 % en in 1960 nog 16,9 %. Los van het feit dat meeleven en uitschrijven twee zeer verschillende zaken zijn waar meestal veel tijd tussen zit is ook wel zeker dat voor de Noorderkerkgemeente deze cijfers ongetwijfeld lager zullen zijn geweest.

 Parallel aan deze maatschappelijke ontwikkelingen traden in de kerk en theologie ook grote veranderingen op. De institutie van de Hervormde Kerk in 1816 gaf wel een – door velen als te sterk van bovenaf gecontroleerd bijna episcopaal ervaren – organisatorisch kader, maar op leerstellig gebied kwam of bleef er grote onduidelijkheid. Was het dispuut tussen de Arminianen en de Gomaristen in eerste instantie beslist in het voordeel van de Gomaristen, in de eeuwen daarna openbaarde zich steeds weer dezelfde tegenstelling tussen de rekkelijken en de preciesen, de vrijzinnigen en de orthodoxen. Afscheiding (1834), Doleantie (1886), het ontstaan van de Modaliteiten o.a. van de Gereformeerde Bond (1906) en de Vereniging van Vrijzinnigen (1904), zijn daar de vaak zeer ingrijpende bewijzen van. Ook in Hervormd Amsterdam trad een gestage verschuiving op van orthodox naar midden-orthodox en deels vrijzinnige prediking.

 Deze ontwikkelingen in maatschappij en kerk hebben ook op de Hervormde gemeente van Amsterdam grote invloed gehad en dan met name in de kerkverlating en de afname van participatie in kerkgang en kerkelijke activiteiten. Met inkrimping en regionale herstructurering, predikantsvacatures die niet meer vervuld werden poogde de Hervormde gemeente het hoofd boven water te houden, ondanks de crisistijd van de dertiger jaren en de hollende secularisatie tijdens de zestiger jaren en daarna.

 De Noorderkerkgemeente ondervond deze gevolgen aan den lijve. Een kritieke fase was begin dertiger jaren. Ondanks het feit dat er op dat moment nog drie predikanten aan de verschillende wijken van de Noorderkerkgemeente verbonden waren liep het aantal kerkgangers schrikbarend terug. Vanaf 1933 nam het aantal kerkdiensten af, de tussenpozen werden groter, totdat op 30 september 1934 de laatste dienst werd gehouden. Opmerkelijk is dat dit zonder enige ophef plaatsvond…… Inmiddels was een fusie tot stand gebracht met de Eilandskerkgemeente, gebouwd 1737 op Bickerseiland. Maar door grote bouwtechnische problemen, m.n. aan de fundering, moest de Eilandskerk al in 1939 worden gesloten wegens bouwvalligheid (uiteindelijk werd deze kerk in 1950 afgebroken). Het jaar daarna werd de Noorderkerk weer geschikt gemaakt voor de eredienst en op 5 oktober 1941 heropend met een preek over Psalm 84 – ‘zelfs vindt de mus een huis, o Heer’ – door de op dat moment dienstdoende predikanten ds. G. Oorthuys, ds. P.J. de Jong en ds. K.H. Miskotte. Dr. Oorthuys ging in 1943 met emeritaat. Hij werd op 5 september 1943 opgevolgd door dr. Jan Koopmans, komende uit de Elthetokerk. Koopmans had grote bezwaren tegen het al decennia lange gebruik van het zgn. rondpreken. Daardoor preekte een predikant zelden in eigen gemeente en dat bracht zijns inziens schade aan de pastorale zorg en relatie met de eigen gemeenteleden. Na zijn komst ging hij dan ook meestal voor in de eigen Noorderkerk en wist daar met zijn bijbelgetrouwe prediking en charismatische uitstraling grote aantallen kerkgangers te trekken. Hij kwam echter op een dramatische wijze aan zijn einde toen hij bij een laatste fusillade door de Duitsers op het Weteringscircuit een week voor de bevrijding in mei 1945 getroffen werd door een verdwaalde kogel.

 De naoorlogse periode kenmerkte zich door verdergaande ontkerkelijking en dalende ledenaantallen. Enerzijds veroorzaakt door secularisatie, anderzijds ook door demografische ontwikkelingen (o.a. afname van het geboortecijfer) en suburbanisatie (vertrek van gezinnen met kinderen naar de omliggende plattelandsgemeenten). Door regionale herindeling bleven er steeds minder predikanten over voor steeds grotere wijkgemeenten. In 1958 werden in een ‘Voorlopige nota van de Strategiecommissie’ naast andere ook de beide Noorderkerkgemeenten A en B aangewezen als zwakste wijkgemeenten; men verwachtte in de toekomst zelfs kerkelijke witte vlekken. Toen de als vrij orthodox bekend staande ds. H.J. Langman van wijk B (m.n. de Spaardammerbuurt) in 1963 met emeritaat ging moest hij toegeven dat het, op dat moment als traditioneel ervaren, ideaalbeeld van een kerkelijke gemeente met pastoraat, catechese en gemeenteavonden in deze stedelijke context moeilijk toepasbaar meer was. Op 1 jan. 1964 werden de Noorderkergemeenten A en B samengevoegd met ds. IJ. Alkema als wijkpredikant. Hij werd opgevolgd door ds. C. Keers die een iets vrijzinniger inslag had. Toen in 1972 ds. Keers met emeritaat ging ontstond een patstelling. Het aantal kerkgangers was inmiddels sterk gedaald, soms tot nauwelijks boven de twintig. De kerkenraad van de Noorderkerkgemeente werd voor de keus gesteld: de kerk sluiten en fuseren met een andere gemeente óf een nieuwe predikant beroepen, maar dan van Gereformeerde Bondssignatuur. In dit door sommigen als pijnlijk ervaren proces is uiteindelijk gekozen voor het laatste. Anderen waren enthousiast met de komst van ds. C. Vos op 23 juni 1974.

 

Copyright © 2010 Noorderkerk Amsterdam, Kerk in de Jordaan. Alle rechten voorbehouden.
Inloggen voor gemeenteleden