EEN DING

EEN DING

 

Ik las de mooie mijmering van collega Johan Visser over ‘een dingetje’. In aansluiting daarop wil ik graag iets delen wat wel echt ‘een ding’ is, zowel in de bijbel als in de gemeente van Christus.

 

Ik ben blij dat God de mogelijkheid van voorbede gaf en ik dus voor anderen bij Hem terecht kan. Als dominee geeft het me rust. Ook al moet ik het mijne doen, ik hoef de gemeente niet te redden. Ik mag de hele zaak, al die mensen met hun wel en wee, hun zorgen en zonden, aan Hem toevertrouwen: ‘Hier hebt u ze, weest U onze herder…!’ Als ik die mogelijkheid niet had, zou ik geen dominee willen zijn. Voorbede behoedt voor een messias-complex. Tegelijk voorkomt het ook de huurling-mentaliteit van ‘laat maar lopen’. Juist dankzij de voorbede kan ik ontspannen blijven gaan voor ieders ‘ziel en zaligheid’. Zo gezien is voorbede méér dan een opdracht, het is een geweldig geschenk!
De apostel Paulus maakte dagwerk van de voorbede. Hij schreef dat de zorg voor alle gemeenten hem elke dag overviel en dat hij die verwerkte door voor hen te danken en te bidden. Hij gaf de nieuwe gelovigen voortdurend over aan de zorg van de Opgestane. Hij had het van geen vreemde, Jezus zelf deed niet anders. Al Zijn inzet onder de mensen, werd gedragen door gebed voor die mensen. Het hogepriesterlijk gebed (Joh. 17) is er een prachtig voorbeeld van. Voorbede is dus geen aardig extraatje maar een wezenlijk onderdeel van je werk. Ik moet dat overigens wel steeds bedenken om bij de les te blijven en in dit bidden te volharden, zin of geen zin. Anders schiet het er zomaar bij in. Dat schiet niet op. Daarmee span ik het paard achter de wagen. Want er is niets wat zoveel zegen belooft als dit. In de voorbede span je God zelf zogezegd voor de kar, laat je Hem doen wat jij onmogelijk kan.

 

Hoevelen zijn er al niet ingewonnen en gered door de voorbede van anderen? Misschien de meesten wel. Geregeld heb ik meegemaakt dat mensen na jaren van weg dwalen zich opnieuw tot God keerden. Als ik doorvroeg op het waarom, bleek dat een opa of oma, vader of moeder, een broer of zus voor hem of haar gebeden hadden. Ze hadden stug volgehouden al leek het soms een ‘gebed zonder end’. Is het niet geweldig dat wij voor een ander, die zelf weinig of niks voor God voelt, wel bij God terecht kunnen? Net zoals die man, waarover Jezus vertelt in Lukas 11, die middenin de nacht (het meest ongelegen moment!) aanklopt bij een buur om drie broden voor een vriend (maar voor die buur een volslagen vreemde!) die onverwacht langs kwam. Zulke vrijpostigheid wordt beloond, verzekerde Jezus. De buur zal opstaan en het geven! Dat belooft wat, juist in deze ‘onmogelijke’ tijd met al die totaal ‘vervreemde’ mensen.

 

Bid je mee? Je hoeft er niet eens de deur voor uit. Een kleine moeite dus. Maar dik die moeite waard. Want als reactie op onze ‘vrijpostigheid’ duikt de Opgestane links en rechts bij mensen op… door een teken van leven te geven, twijfel te zaaien in hardnekkig ongeloof, nieuwsgierigheid te wekken of te denken te geven. Zo wordt pionieren een feest!

 

Paul Visser